Versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit

donderdag 27 mei 2021

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit) (35564)

Bijdrage Mirjam Bikker aan een plenair debat met de minister van Justitie & Veiligheid

27 mei 2021

Kamerstuknr. 35564

 

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Natuurlijk allereerst felicitaties aan mevrouw Kathmann. Wat mooi om haar hart, haar Rotterdamse hart, te horen spreken. Ik heb een Rotterdamse oma en ik weet nog goed hoe trots zij was toen wij door Rotterdam reden met de bus. We kwamen door Spangen en ze zei: het is hier wel een beetje veranderd, maar Het Kasteel staat er nog. En daar keek ze trots bij. Ik wens mevrouw Kathmann natuurlijk veel plezier hier in het Haagse, maar ik weet zeker dat ze altijd weer met een blij gemoed door Rotterdam wandelt. Ik hoop dat we samen goed kunnen optrekken.

Dan het wetsvoorstel, voorzitter. Een beetje in contrast met de bijdrage van mevrouw Kathmann heb ik hier staan: Nederland is prachtig. En dat vind ik ook echt. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het landschap, zie je brede rivieren traag door oneindig laagland gaan. Dat is gewoon mooi. Deze zaal spreekt daar ook van; dat wordt even wennen als we straks in B67 zijn, denk ik.

De voorzitter:
Maak uw borst maar nat!

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zo is dat. Dus we genieten er nog even van.

Die rivieren komen uit bij de Noordzee. Daar zijn onze havens en dat maakt dat we een goede infrastructuur hebben, zowel fysiek als inmiddels ook digitaal. Onze ondernemingsgeest, ons oog voor handelskansen, maakt Nederland, gecombineerd met het soort land dat het is, een prachtig land. Maar die infrastructuur werkt niet alleen voor tulpenbollen, kaas of hoogwaardige apparatuur. Helaas werkt die ook voor de handel in drugs. Tel bij dit handelsklimaat nog eens de gedooghouding tegenover drugs of de lage strafmaat voor de zwaarste drugscriminelen op, en je hebt helaas de ingrediënten om een wereldspeler van formaat te worden in de internationale drugshandel, waar een klein land helaas ook groot in kan zijn.

Dat vreet aan onze samenleving. Want in onze kwetsbare wijken, in ons milieu en in onze rechtsstaat merken we de gevolgen, met als absoluut dieptepunt de moord op een advocaat, Derk Wiersum. En juist daarom wil de ChristenUnie alles op alles zetten om daders van deze zware criminaliteit op te sporen en aan te pakken, om zaken te maken en af te handelen, zodat de Taghi's van deze wereld voor hun daden worden vervolgd en bestraft. Daarom is deze wet opnieuw een stap in het verstoren van de ondermijning, want Nederland moet minder aantrekkelijk worden voor zware criminelen. Dit zijn dan ook vooral goede voorstellen, die ontregelen, verstoren en de lat iets hoger leggen om in Nederland aan de slag te gaan. Maar ze gaan wel vooral over handelingen. De criminelen op de spreekwoordelijke werkvloer worden aangepakt, maar leidt dit, naast het frustreren van die handelingen, ook tot extra zaken waarin juist de drugsbazen worden aangepakt en niet alleen de loopjongens? Daar ligt mijn aarzeling. Hoe zorgen wij er nu voor dat juist ook die eindbazen van de bende worden aangepakt? Graag een reactie van de minister.

En daarom, voorzitter, voordat ik inga op de verschillende maatregelen van de wet, toch nog een maatregel die ik tot nu toe mis. Dat is de verhoging van straffen voor de echt zware drugscriminelen, de eindbazen. En nee, dan bedoel ik dus niet de drugsrunner of de handelaar in het centrum van Rotterdam, Amsterdam of waar dan ook, maar wel de bazen die nu bijvoorbeeld vanuit Latijns-Amerika naar Nederland komen, omdat de pakkans en de strafmaat hier laag zijn. Het Pact voor de Rechtsstaat wijst hier ook op. In juni 2019 kondigde de minister een onderzoek aan. In december 2020 geeft de minister aan dat de onderzoeksopzet nog naar de Kamer gaat komen. Ik mis die opzet nog steeds, en ik mis eigenlijk vooral de uitkomst en het allermeest de urgentie op dit punt. Graag een reactie van de minister.

Dan kom ik op het wetsvoorstel zelf. Allereerst het punt ten aanzien van de bedreiging. Ik ben positief over de verhoging van de strafmaat voor bedreiging van twee naar drie jaar. De voorbeelden die de minister heeft gegeven, spreken tot de verbeelding. Ik heb toch nog wel een aarzeling. Want ja, er wordt gekozen voor een strafverzwarende grond voor bedreiging van burgemeesters, raadsleden of bijvoorbeeld advocaten. Dat is goed. Maar ergens zijn die bedreigingen ook het gevolg van bevoegdheden op het terrein van drugsbestrijding die burgemeesters en gemeenten steeds meer hebben gekregen. Die stapeling van bevoegdheden is voor de ChristenUnie in zichzelf niet per se verkeerd, maar meer en meer plaatst het de burgemeester wel in een rol die verder gaat dan het hoeden van de openbare orde. Ik vraag de minister: wanneer reflecteert hij op die verhoudingen en op die ontwikkeling?

Datzelfde geldt eigenlijk voor de positie van boa's of andere ambtenaren die steeds meer de bestuurlijke strijd tegen ondermijning voeren, maar zich daarmee ook steeds meer richting politietaken bewegen, inclusief de dreiging die dat met zich meebrengt. Op welk moment reflecteert de minister op die verhoudingen en hoe ziet hij die ontwikkelingen?

Dan, voorzitter, de bestrijding van precursoren. Want ook dat is positief wat de ChristenUnie betreft: het bestrijden van precursoren voor het maken van harddrugs. Wel zien we hier weer dat het vooral een verstorend effect heeft, waarbij we de ontwikkelingen volgen en dan zo snel mogelijk met een ministeriële regeling anticiperen. Wij zouden heel graag psychoactieve stoffen sneller als groep verbieden, waardoor we niet meer na 3-MMC te maken krijgen met 4-MMC, 5-MMC, 2-MMC, of ga zo maar door. Het is heel goed dat het kabinet daarom vandaag aankondigt 3-MMC onder de Opiumwet te scharen, maar ik snap nog steeds niet waarom nu wordt gewacht met een fundamentele wetswijziging. Wat let de minister om nu al die wet- en regelgeving te maken en bij de Kamers aanhangig te maken?

Voorzitter. Dan ten aanzien van het artikel dat nu voorligt: dat ziet alleen op stoffen die geen bekend legaal doel hebben. Misbruik van lachgas of bijvoorbeeld gootsteenontstopper kan hiermee niet aan banden worden gelegd. Nou hoeft gootsteenontstopper in kleine voorraad ook niet aan banden te worden gelegd, maar als je nou de hele winkelwagen vol hebt, heb je wel een heel fiks probleem in huis. Kan de minister uitleggen waarom dat soort producten toch niet, uiteraard onder voorwaarden, onder de werking van deze wet zouden moeten vallen?

En als laatste kom ik toch nog op de apparaten als stempelmachines of pillensplijters. Voorzitter, ik heb van zo veel dingen verstand. Die zijn kinderlijk eenvoudig te bestellen op de sites waar je ook terecht voor je 3-MMC of je andere synthetische drugs. De minister zegt: we leggen bezoeken af aan bedrijven die dit doen en leggen ze uit dat ze risico lopen op strafrechtelijke vervolging. Maar hoe vaak heeft er eigenlijk vervolging plaatsgevonden van bedrijven die overduidelijk apparatuur verhandelen die bedoeld is voor handel en verspreiding van drugs?

De derde maatregel snijdt volgens mij een heel belangrijk punt aan: onze havens en transportpunten. Dat gaat niet alleen om Rotterdam, maar ook om kleinere havens, zoals die van Vlissingen en Moerdijk en om alle Noordzeehavens in België en Duitsland. Samen met rederijen en beveiligingsbedrijven en samen met de transportsector zal er tot een brede versterking moeten worden gekomen tegen de drugshandel in de havens. Want die staat of valt bij mensen die onder dwang of drang een oogje dichtknijpen of actief meewerken. De Zeehavenpolitie in Rotterdam sloeg recent nog alarm en zei: we moeten juist zorgen dat we hier de boel dichtzetten, nu staat het open. Daar ligt een opdracht. Ik vraag de minister om met onze zuider- en oosterburen te komen tot een brede aanpak, om met de grote en kleine havens, van Antwerpen tot Hamburg, en met de rederijen te komen tot gezamenlijke maatregelen om de dijken op te hogen.

Over het specifieke artikel heb ik nog één vraag. Het is niet het primaire doel van het artikel, maar het ziet ook op mensensmokkel. Nu heb ik het beeld voor me waar we vanochtend nog over spraken in het commissiedebat, namelijk van Vietnamese minderjarigen die per container naar Engeland worden gesmokkeld. En ik denk aan het drama in Essex. Kan de minister uitsluiten dat mensen die slachtoffer zijn van mensenhandel of die in handen zijn beland van mensensmokkelaars, onder deze strafbepaling vallen en kan hij uitsluiten dat er een drempel voor hen wordt opgeworpen om te vluchten, om hulp te vragen of aangifte te doen?

Voorzitter. Ten vierde het kostenverhaal. Ik begrijp de wens van de minister, maar sluit me wel aan bij de vraag van collega Van Nispen, in het bijzonder omdat in de wettekst staat dat de hoogte van de betalingsverplichting ertoe doet. Alleen als die van aanzienlijk belang is, kan de rechter-commissaris de maatregel opleggen. Maar wat is nu "aanzienlijk belang"? Als ik in de wettekst kijk, zie ik dat woord alleen voorkomen bij punitieve sancties, bij de boete. Er is heel duidelijk betoogd dat dit wetsartikel reparatoir is. Is er sprake van dezelfde afweging als het gaat om de vraag wat dat aanzienlijk belang bij de rechter inhoudt? Of is het een andere? Ik hoor daar de minister graag precies over.

Ik kom tot een afronding. De politie is positief over deze wet. Dat is een belangrijk signaal, maar de politie geeft ook aan dat deze maatregelen extra capaciteit gaan kosten. Komt die extra capaciteit er, niet alleen in de Rotterdamse haven, maar bijvoorbeeld ook in omliggende gemeenten of kleinere havengemeenten? Zo nee, waar gaat dit dan ten koste van?

Ten slotte. Er is een amendement ingediend dat een beetje vreemd is aan het wetsvoorstel. Het gaat om doxing. Dat gaat ons aan het hart. Want het zomaar publiceren van adresgegevens van mensen die zich inzetten voor een belangrijke publieke zaak is een vergiftiging van het maatschappelijk debat en van de samenleving. Tegelijkertijd hoort bij het strafbaar stellen van zoiets een debat hier in de Kamer, met voorbereiding en consultatie. Zo gaan we dan ook door de Kamers heen. Daarom heb ik twijfels bij dit amendement, maar ik zou vooral de minister willen vragen om nauwkeurig op de tekst van het amendement in te gaan. Dan bedoel ik vooral: op de reikwijdte. Er staat iets in over het oogmerk. Ik ben benieuwd wat daar nou precies mee bedoeld wordt en of het handhaafbaar is.

Dank u wel.

 

« Terug